Mijn zwemattributen
Persoonlijk hou ik van het grovere werk. Een startblok op sleeptouw, een
jutezak aan een touw, dat soort dingen. Helaas leent
een zwembad zich daar niet zo voor. Bij het draaien/keren loop je namelijk het
risico in de dos te raken.
Ikzelf was vroeger een
echte zeezwemmer. Met de jutezak verbonden aan een touw om mijn middel ging dat
prima. We zwommen altijd een uur. Tegen de tijd dat het erop aan kwam was ik in
staat om 4 kilometer door weer en wind te op redelijk niveau te zwemmen.
We waren ook geen
zwemmers, maar aan tips van medesporters geen gebrek. Van oorsprong waren we
voetballers en bij gebrek aan motivatie voor het balletje uiteindelijk dus op
latere leeftijd zelf het zwemmen aangeleerd. Had slechts diploma B (twee keer
wel te verstaan, 1 keer van school, 1 keer van Schermer –kenners weten waar ik
het over heb).
Op de
sportacademie, zo heet dat in de volksmond, het is eigenlijk Academie voor
Lichamelijke Opvoeding, kreeg ik les van de bondscoach van de toenmalige
Olympische zwemploeg. Een half
jaar later gevolgd door Axel Koenders. De bondscoach maakte me enthousiast voor
het zwemmen. In mijn vrije tijd bracht ik 6 uur door in het Volendammer
zwembad. En op de academie bijna dagelijks een half uur. Kortom, vooral van de
uren moest ik het hebben. Zwemmen is een zeer complexe technische
aangelegenheid. Met kleine hulpmiddelen, zoals de bekende zwemvliezen (voor mij
waren het flippers) in combinatie met een snorkel, leerde ik binnen een maand
de finesses van de vlinderslag. Koenders was een kei
in schoolslag, maar dat boeide niet zo. Ik was gefascineerd door de vlinder,
maar vooral de borstcrawl.
’s Morgens om 7 uur dook
ik bij Willempie het water in. Elke dag, ’s morgens
en ’s avonds. In de ochtend 1 kilometer, in de avond altijd minimaal 2
kilometer. Het ging vanzelf en de golven waren speelmaatjes. Eens zwom ik bij
windkracht 5. Spectaculair, maar niet aan te bevelen dit zomaar na te doen. De
angst voor de zee overwon ik zo, en leerden we in rechte lijn te zwemmen en te
oriënteren op een punt in de verte. Ook werd aan de veiligheid gedacht. Een
speedboot hoor je van ver in het water aankomen, maar dat moet je wel
herkennen! Je moet ook zorgen dat je wordt gezien, daarom dus ook altijd een zwemcap op, bij voorkeur wit. Voor de koukleumen: het helpt
ook tegen warmteverlies en geloof me, ook in water van 20 graden kan je
onderkoeld raken.
Afijn, de finesses van
het zwemmen leerde ik met kleine atributen. Een
zwembril hoorde daar voor mij ook bij, want als voetballer was je daar principieel
op tegen. Maar op een gegeven moment moet je wel, je kon wel eens alergisch raken. Van Koenders leerde ik dat een goede
voorbereiding het halve werk is. Ik zag hem eens een half uur aan touwen
trekken, als warming up, voordat hij het water
indook. Als een dolfijn te zwemmen, of als een pijlstaartrog door het water te
bewegen, zo mooi, zo perfect. Een trainer die dat bij zijn pupillen kan
visualiseren, heeft ze voor eeuwig in de macht. De rest moet men zelf doen.
Discipline, vroeg op bed, geen alcohol. Systematisch trainen, rust nemen op
zijn tijd, ja en zelfs af en toe uit je bol gaan hoort er ook bij. Maar altijd
die discipline, de wil om te trainen omdat het bewegen in het water zo mooi is.
Ooit al eens aan een video opname gedacht?? Inspiratie
en correctie haal je uit die kleine dingen. Een video
kan daarbij goede dienst bewijzen.